... werden alle toen bekende grafheuvels in de Baarnse bossen onderzocht.
F.E. Baron van HeerdtHet initiatief tot de grafheuvelonderzoeken in de jaren 1926 en 1927 is uitgaan van de heer F.E. Baron van Heerdt van ’t Benthuys te Baarn. In juli 1925 schreef hij Dr. A. E. van Giffen, directeur van het Biologisch-Archeologisch Instituut in Groningen, aan met het voorstel om op zijn kosten enkele grafheuvels in de Baarnse bossen te onderzoeken op voorwaarde dat hij toestemming hiertoe verkreeg van de betreffende grondeigenaren.
Dr. Van Giffen, met wie de Baron kort daarvoor kennis had gemaakt, toonde zich in een schriftelijke reactie zeer ingenomen met deze uitnodiging.
Hiermee zou een sedert jaren gekoesterde wens in vervulling kunnen gaan om eindelijk grafheuvels in het midden van het land te onderzoeken en daarmee de omstreden koepelgraftheorie van Dr. J.H. Holwerda, directeur van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, te weerleggen.
De heer Van Heerdt nam op zich om, met hulp van zijn personeel, de Baarnse bossen af te zoeken naar grafheuvels.
Hij ontdekte 6 grafheuvels op Landgoed Groot-Drakenstein, 9 grafheuvels op Landgoed Pijnenburg en 3 grafheuvels op het Domein Soestdijk.
Ook zou Van Heerdt contact opnemen met alle grondeigenaren en ze op de hoogte brengen van het voornemen tot onderzoek.
Dr. A. E. van Giffen
Afgesproken wordt om in januari 1926 per fiets een bezoek aan de grafheuvels te brengen waarna Van Giffen een keuze kan maken welke grafheuvels hij wil onderzoeken.
Zowel de heer Insinger van Pijnenburg, de heer Lothe van Doelen Grothe, stiefvader van de erven Bosch van Drakenstein, en de Intendant van Soestdijk gaven toestemming voor de opgravingen.
Van mei 1926 tot Juni 1927 werden in twee periodes alle grafheuvels, soms uitgebreid zoals die te Lage Vuursche, en soms “alleen op de vondst” onderzocht.
Van het onderzoek op Groot Drakenstein is een uitgebreid opgravingsrapport met tekeningen en foto’s van de grafheuvels en van de vondsten gemaakt dat in bezit is van de Werkgroep Archeologie (ARWE).
Het vondstmateriaal is destijds overgedragen aan het Provinciaal Utrechts Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht.
(Tekst: Jan van der Laan)








